| Aardkunde |
| Inleiding | |
| Landschappelijke basiskaarten | |
| Periode-indeling | |
| Landschapstypen | |
| Aardkunde overzicht | |
| Ontwikkeling kustlandschap | |
| Gebruik van de kaarten | |
Inleiding
De aardkundige laag van de Cultuurhistorische Kaart Fryslân bestaat uit
drie landschappelijke basiskaarten en een aantal ontwikkelingskaarten, die de
ontwikkeling van het kustlandschap weergeven. De landschappelijke basiskaarten
geven zowel aardkundige landschappen als aardkundige objecten weer. Met aardkundige
landschappen worden grotere ruimtelijke eenheden bedoeld, zoals bijvoorbeeld
het kleilandschap of het veenlandschap. Met aardkundige objecten worden specifieke
landvormen bedoeld, zoals pingoruïnes en kwelderrugsystemen.
|
Landschappelijke basiskaarten |
||||
| Periode-indeling | ||||
| De periode van vorming (tijd) is een belangrijk criterium voor het indelen in hoofdlandschappen, evenals de inbreng van mensen, ook wel antropogeen landschap genoemd. De volgende drie hoofdlandschapstypen zijn weergegeven op de kaart 'Periode-indeling': | ||||
|
Holocene landschap: landschapselementen die gevormd zijn gedurende de klimatologisch warme periode van de laatste 10.000 jaar: in deze periode werd een groot deel van Fryslân door zeespiegelstijging overstroomd en later "overveend". Pleistocene landschap: landschapselementen, die gevormd zijn tijdens de ijstijden van meer dan 10.000 jaar geleden. Antropogene landschapselementen: hiermee worden landschapselementen bedoeld die antropogeen van aard zijn, dus door de mens gemaakt, zoals esdekken en terpen. Ook recentere ingrepen en verstoringen in het landschap, zoals de ontwikkeling van stedelijke gebieden, droogmakerijen en grote kanalen vallen hieronder. De recentere antropogene landschapselementen op de aardkundige laag (stedelijk gebieden, kanalen e.d.) zijn afgeleid van de topografische kaart, de esdekken zijn overgenomen van de bodemkaart en de terplocaties zijn vastgesteld door RAAP binnen het kader van de Friese Archeologische Monumenten Kaart Extra (FAMKE). |
||||
| Landschapstypen | ||||
| Landschappen kunnen ook worden ingedeeld naar hun aard. De kaart 'Landschapstypen' laat het landschap van Fyslân zien, onderverdeeld in vijf landschapstypen: | ||||
| Kleilandschap Veenlandschap Dekzand- en keileemlandschap Waddengebied |
||||
| Landschapstypen onderverdeeld | ||||
| Zoals gezegd kunnen de verschillende landschapstypen verder onderverdeeld worden. De kaart 'Landschapstypen onderverdeeld' geeft deze onderverdeling weer. Op deze kaart zijn bovendien de dobben en pingoruïnes aangegeven. | ||||
|
Kleilandschap. Het kleilandschap komt overeen met het zeekleilandschap
dat aangegeven wordt op de bodemkaart. Het is onderverdeeld naar hoogteligging
ten opzichte van NAP: hoe groener, hoe hoger. Veenlandschap. De veenlandschappen zijn op basis van de bodemkaart en de geologische kaart vastgesteld. Overigens wordt door oxidatie het totale gebied van de veenlandschappen kleiner. Door het oxidatieproces verschuiven bijvoorbeeld de grenzen van het restveengebied en het veengebied zonder kleidek. Omdat de bodemkaart en de geologische kaart opgenomen zijn in de jaren ‘60 en ’70, geeft de landschappelijke basiskaart niet geheel een actueel beeld van de veenverbreiding op het Pleistoceen. Het veenlandschap is onderverdeeld in veengronden met een kleidek dunner dan 0.40 meter, veengronden zonder kleidek en restveengronden. Restveengronden zijn gronden waar nog resten van het oorspronkelijke veen in de Pleistocene bovengrond herkenbaar zijn (o.a. ‘moerige’ bodems). Dekzand- en keileemlandschap. Dit landschap is onderverdeeld op basis van geologische afzettingen die aan het oppervlak liggen. Deze eenheden zijn overgenomen van de bestaande geologische kaartinformatie. Het wel of niet voorkomen van keileem binnen de eerste 2 meter onder maaiveld is een belangrijk criterium voor de verdere onderverdeling van het landschap. Onder keileem verstaan we afzettingen die gevormd zijn tijdens de Saale ijstijd. In die gebieden waar keileem wél binnen 2 meter onder maaiveld voorkomt, wordt een verder onderscheid gemaakt met betrekking tot de afdekkende laag. De afdekkende toplaag kan bestaan uit de bouwvoor (‘keileem aan maaiveld’), een dekzanddek en rivierdalsedimenten. De begrenzingen van de stuifzandgebieden binnen dit landschapstype zijn afgeleid van de geologische kaart. Holocene stuifzanden zijn in het algemeen te onderscheiden van de oudere pleistocene dekzanden door het ontbreken van een goed ontwikkelde bodem. De holocene verstuivingen dateren hoofdzakelijk van na de late Middeleeuwen en zijn veroorzaakt doordat de mens de natuurlijke vegetatie verstoorde. Onder de relatief jonge verstuivingen kunnen daarom nog vroeg Middeleeuwse of oudere nederzettingen voorkomen. |
||||
| Landschappelijke objecten Binnen de landschappelijke objecten wordt onderscheid gemaakt tussen pingo’s, waarvan in de literatuur met zekerheid is vastgesteld dat het pingoruïnes zijn en dobben. |
||||
|
Dobben. Dit zijn depressies (kommen) in het Pleistocene landschap, geheel of gedeeltelijk gevuld met veen en gyttja. In de dobben, die door de mens zijn uitgeveend, komen meertjes voor. De dobben kunnen deflatiekommen zijn, d.w.z uitgeblazen kommen, ontstaan binnen het dekzandlandschap. Deze kommen zijn meestal niet dieper dan 3 meter. Pingoruïnes. Deze zijn gevormd tijdens de laatste IJstijd, in perioden waarin de bodem het hele jaar door bevroren was. Dit verschijnsel noemen we ‘permafrost’. Door jaarlijkse opdooi en bevriezing vormden zich langs scheuren in de ondergrond zogenaamde ‘ijslenzen’. Deze ijskernen konden zo dik worden dat zij een heuvel in het landschap vormden van wel 10 meter hoog. Toen het Holoceen aanbrak en de dooi definitief inviel, gleed de grond die bovenop de ijslens lag naar de zijkanten en vormde zo een wal rondom de ijskern. Door het smelten van de ijskern bleef er een ‘gat’ over binnen de gevormde wal. Deze depressie in het landschap werd vervolgens grotendeels opgevuld met organisch materiaal (gyttja en veen). De pingoruïnes kunnen meer dan 10 meter diep zijn. |
||||
| Waddengebied Het waddengebied is onderverdeeld in recent getijde gebied, subrecent ingedijkt getijde gebied en ouder ingedijkt kwelderlandschap. Het recente getijde gebied bestaat uit de geulen, de wadplaten en de kweldergebieden van de Waddenzee. Deze eenheden zijn overgenomen van de topografische kaart, schaal 1: 25.000. Het subrecente getijde gebied wordt gevormd door de ingedijkte gebieden van de 20e eeuw, zoals het voormalige Lauwerszeegebied en de jonge polders langs het IJsselmeergebied. |
||||
| Ontwikkeling kustlandschap | ||||
|
Op deze kaarten is het holocene kustlandschap van Friesland voor drie tijdstippen gereconstrueerd, namelijk 600 vóór Chr., 150 na Chr. en 1000 na Chr. Op kaarten worden de volgende landschapstypen onderscheiden: 1) sub- en intergetijdegebied, 2) kwelderruggen, 3) kweldervlakten en 4) veengebied. De landschapspatronen zijn gereconstrueerd op basis van de morfogenetische kaart, maar ook door middel van ‘expert judgement’: dit betekent dat de kaartbeelden geen harde feiten weergeven maar trends in de kustontwikkeling. De oudste ringdijk in het kweldergebied wordt weergegeven om de getijsystemen Middelzee, Friese Marne en Dokkummer Ee aan te geven. |
||||
|
|
|
|||
Gebruik van de kaarten
De landschappelijke basiskaarten geven de aardkundige landschappen en objecten
weer die aan of nabij het oppervlak liggen en relevant zijn voor de inrichting
en het beheer van het Friese landschap. Deze landschappen en objecten zijn tevens
van waarde voor de studie naar en/of de publieke beleving van de natuurlijke
ontstaansgeschiedenis van Fryslân.
De ontwikkelingskaarten vormen de eerst aanzet voor de provinciale paleogeografische landschapsreconstructie van de afgelopen 10.000 jaar.